Terug naar hoofdinhoud
Aly Boersema
Huis

Bevestiging ouderlingen

Geschreven door Jan Boersema op: 26 juli 2013

Bevestiging ouderlingen 

Lezen:  1 Petrus 2:21b-25 1 Petrus 5:1-7. Tekst: 1 Petrus 2:25.

De broeders die bevestigd zullen worden als ouderling zijn gekozen door de gemeente en zijn er voor de gemeente. Zij moeten herders zijn en krijgen hiermee een naam die in de Bijbel ook voor God zelf is bedoeld en voor de Here Jezus. Maar waarom wordt de Here Jezus door Petrus in deze brief opeens genoemd:  de Herder en Hoeder van uw zielen? Daar heeft hij nog niet eerder over geschreven.

Nu het hier vandaag de dag is dat ouderlingen worden bevestigd wil ik hen en ons allen opwekken om naar Jezus Christus te kijken en van Hem te leren. Hij heeft het ons voorgedaan hoe voor de gemeente gezorgd moet worden. Maar tegelijk is Hij veel meer dan een voorbeeld.

Christus, voorbeeld voor de ouderlingen en ook meer dan een voorbeeld. 1. Verloren schapen 2. De zoekende Herder 3. Perfecte verzorging.

 

1. Een belangrijk stuk van de brief gaat over lijden dat christenen moeten verduren. Op tal van manieren. Er waren christelijke huisslaven die te lijden hadden onder heidense meesters. En christelijke vrouwen die werden geplaagd door mannen die heiden gebleven waren. En er bestond in de samenleving haat tegen de christelijke gemeente. Om de gemeente daarin te ondersteunen gaat Petrus woorden gebruiken die komen uit de meest bekende profetie in het Oude Testament:  Jesaja 53, over de lijdende knecht des Heren.  En daarin staat bij voorbeeld ook: wij allen dwaalden als schapen, wij gingen allemaal onze eigen weg, maar de Here heeft de ongerechtigheid van ons allemaal doen neerkomen op zijn knecht. Hij was onschuldig, maar liet zich verdrukken. Hij werd geslagen, maar deed zijn mond niet open. Door zijn striemen hebt u genezing gevonden. En dan houdt Petrus zijn lezers voor dat de knecht des Heren gekomen is, Jezus Christus, en voor hen geleden heeft, en dat zij nu zijn voorbeeld moeten volgen door zich in verdrukking niet slecht en ongelovig te gedragen maar moeten volharden in geloof en in gebed. Omdat Jes. 53 al genoemd werd is het geen grote gedachtesprong om de lezers met dwalende schapen te vergelijken. En de Here Jezus te noemen 'de herder en de hoeder van uw zielen'.

De andere reden dat Christus zo genoemd wordt is: Petrus weet al dat hij ook nog moet gaan schrijven over de oudsten van de gemeente. De gemeente is in een crisis, en het is hard nodig dat de organisatie sterker wordt en de geestelijke leiding krachtiger. Hij zal daar de oudsten op aanspreken, de mannen die ook wel opzieners heten. En daar grijpt hij op vooruit door nu de Here Jezus de herder en hoeder van de zielen te noemen. Laten de oudsten bij hun zware taak een voorbeeld namen aan Hem. Hij wordt de opperherder genoemd. 

Uit het woord terugkeren (of terugbrengen) zou je kunnen afleiden dat de lezers bestaan uit mensen die God kenden maar Hem zijn kwijtgeraakt. Dat zou er voor pleiten om te denken dat de gemeente bestaat uit Joden die christen geworden zijn. Voordat ze Jezus aannamen hadden ze wel kennis van God, maar leefden ze misschien zonder God. Ze behoorden tot de Joden in de diaspora, woonden ver van Jeruzalem, hadden hun eigen gemeenschappen, maar godsdienst was meer iets van traditie dan van inhoud. Bij afgedwaalde schapen moet je toch wel denken aan mensen die eerst God hebben gekend.

In onze gemeente doet zich hetzelfde voor. En in de wijdere kring van het christendom in Nederland nog veel meer. Op papier christen, maar de inhoud is weg. Naar zulke mensen moet je omzien. Zoals Christus dat deed moeten de ouderlingen dat doen. Want zoveel mensen zijn de weg kwijt. Dat wil niemand graag horen van zichzelf. Want het betekent in onze taal soms ook dat je een beetje in de war bent. En dat wordt hier niet bedoeld. Want je kunt niet van atheϊsten zeggen dat ze in de war zijn.  Er zijn heel geleerde mensen bij, en soms ook met groot verantwoordelijkheidsbesef. Maar als christen weet je toch: ze zijn de weg kwijt, en gelijk geworden aan dwalende schapen. 

Onze ouderlingen hebben hun taak vooral in de gemeente. Ze worden niet aangesteld als evangelisten om de wereld in te gaan. Maar de gemeente is er wel voor de wereld. En trouwens: ook  in de gemeente moet je om je heen kijken en er acht op slaan of mensen onder de druk, de verleiding staan om zich van de gemeente en van God los te weken. En dan moet je ze opzoeken voordat het te laat is. Denk aan wat gezegd is van de Here Jezus: Hij kwam tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aan genomen. Er was een kudde van God op aarde, de Here God wordt zelf de goede herder genoemd in het OT. Naar die kudde ging de Here Jezus toe. Er is nog steeds een kudde van God op aarde:  een kudde van de Here Jezus. Daarin hebben de ouderlingen hun verantwoordelijkheid.

2.Teruggekeerd, of: teruggebracht. Voor dat laatste woord is meer voor te zeggen. Vooral omdat Jezus niet alleen de Herder genoemd wordt maar ook de hoeder. En dat is iemand die op zoek gaat. De Here God heeft het van zichzelf gezegd in Ez. 34. Als de leiders van Israel heel slecht zorgen voor Gods volk gaat God zelf naar zijn volk omzien. En dat betekent dat je gaat zoeken: waar zijn mijn schapen, wat ontbreekt ze, wat moet ik voor hen doen.

De ouderling heeft in de Bijbel twee namen: oudste, dat wil zeggen:  iemand die leiding moet geven, maar  ook : opziener:  iemand die actief op zoek gaat, en het verloren individu zoekt. Niet: opzichter, maar opziener: je mag ook zeggen: omziener, al is dat geen gewoon woord. Naar iemand omzien betekent dat je om hem geeft en je voor hem inzet, zoals de barmhartige Samaritaan. Dat mogen de ouderlingen leren van de Here Jezus. Niemand was voor Hem te min. Wat Hij heel nadrukkelijk tegen Zacheus zei: ik moet bij u in huis zijn, dat heeft de Here Jezus getoond bij zo velen.

Voor ouderlingen is een kerkenraadsvergadering waar je  samen je verantwoordelijkheid neemt om goede leiding te geven, echt belangrijk; maar de vergaderingen moet je ook beperken, want de persoonlijke zorg voor de schapen, de gemeenteleden, betekent zeker zo veel. Je moet naar ze toe gaan, horen hoe het is, kijken hoe het gaat. Dat is niet om een bemoeial te worden, om je nieuwsgierigheid te bevredigen, maar omdat je de mensen alleen kunt plaatsen als je naar ze toe gaat en ze alleen kunt bereiken als je tijd voor hen hebt.

3. En dan gaat het om perfecte verzorging.  De kreupele schapen worden gedragen, de hongerende gevoed, de schapen worden beschermd tegen aanvallen van roofdieren. De herder die omziet naar uw ziel: zijn zorg strekt zich uit over heel je leven, en zeker over het geestelijke leven, dat niet beperkt is tot het leven hier maar dat na de dood verder gaat. Petrus noemt zichzelf oudste, en we weten van de opdracht die Christus hem gaf na zijn opstanding, toen Petrus zo diep berouw had om zijn verraad. Hoed mijn schapen. Weid mijn lammeren. Zo komt Petrus heel dicht bij de oudsten in de gemeenten: hij leeft met hen mee, weet hoe moeilijk ze het hebben maar ook hoe belangrijk hun werk is. Hij schrijft als mede-oudste.

U, ouderlingen, mag zich eveneens dicht bij Petrus voelen. U bent geen ooggetuige van Christus, zoals Petrus. Dat waren die ouderlingen uit de brief ook niet. Maar wel net als hij oudste van een gemeente. De woorden van 2: 25 keren terug in 5:2:  nu als werkwoorden: hoeden en toezicht houden. Het woord ‘herder’ verschijnt hier niet, en het woord ‘hoeder’ ook niet, maar de werkwoorden wel. Dat is misschien om te laten merken dat alleen Christus zelf de goede herder is, die zijn leven heeft ingezet voor de schapen en voor ze heeft betaald. Dat hoef je niet over te doen, als je het al zou kunnen. Maar we moeten aan Hem wel ons voorbeeld nemen en de kudde waarvoor Jezus betaald heeft met zijn bloed niet laten roven door de satan.  Doe je werk vrijwillig, niet gedwongen. Natuurlijk is er sprake geweest van roeping en aanstelling, in uw geval ook van verkiezing, maar daar zeg je ja of nee tegen: je doet je werk vrijwillig. Doe het belangeloos, niet om er beter van te worden. Dat spreekt nu niet meer zo aan. De betaalde krachten zijn vandaag de dag alleen de predikanten. Alle ouderlingen doen het al belangeloos. Dat past dus heel goed bij deze brief. En je staat midden in de gemeente:  je moet niet willen heersen, maar dienen. Het is de kudde van God die bij je is, waar je zelf toe behoort, waaruit je zelf voortgekomen bent, en het is de kudde die aan je toevertrouwd is, aan ieder een deel waarvoor hij zorgen moet. Een deel van de gemeente, een wijk, en verder samen met de anderen de hele gemeente. Die wisselwerking tussen gemeente en ouderling, daar draait het om bij het ambt. De allerbeste zorg kun je alleen geven als je zelf je een voelt met de kudde. Ook daarin mag je denken aan Christus, die een werd met ons. Dat wordt ook heel mooi duidelijk gemaakt met de woorden over de nederigheid. Christus gaf een voorbeeld bij de voetwassing,  het is aan ieder van ons om dat na te volgen. Je moet nederigheid omdoen als een kleed.

De oudsten zijn natuurlijk niet alleen oude mensen: van een Timoteus weten we hoe jong hij was en zeker hoe jong hij zich voelde. Te jong eigenlijk, vond hijzelf. Toch werd hij oudste. Maar vervolgens worden hier met ‘de jongeren’ ook niet alleen de jeugd bedoeld, maar eigenlijk ook heel de gemeente.  De jongeren worden genoemd omdat zij het meest kritisch zijn. Zij hebben soms de meeste moeite hebben om zich te schikken onder leiding van een kerkenraad.  Soms, niet altijd.  Het zijn ook wel eens de ouderen. Jongeren waren toen ook een speciaal geval omdat ze vaak georganiseerd waren en dus gemakkelijk een vuist konden maken en samen met kritiek komen. Doe dat niet, zegt Petrus, groepsvorming is niet best, of het nu van jongeren of van ouderen komt. Als het om onderwerping gaat moet je vooral je onderwerpen aan God. Dat betekent niet alleen:  buigen voor, maar ook vertrouwen op. Je onderwerpen aan zijn sterke arm:  daarmee heeft Hij israel  geleid en beschermd en wil Hij u leiden. En daarom:  alle zorgen mag u bij Hem neerleggen, op Hem afwentelen, want u ligt Hem na aan het hart. Ook hierin is de Here Jezus ons voorgegaan. Hoe vaak trok Hij zich niet terug in de bergen om alleen te zijn en te bidden. En hoe duidelijk zei Hij niet in de woestijn: ga weg satan, alleen de Here God mag je aanbidden. En later in Getsemane tegen de Here God:  niet mijn wil geschiede maar uw wil. Maar de Here Jezus deed ook wat niemand van ons zou kunnen en gelukkig ook niet meer hoeft:  Hij droeg onze zonden aan het kruis. Hij was niet alleen gehoorzaam door voor zichzelf Gods wet te houden en naar de naasten om te zien, maar Hij was ook gehoorzaam door Gods plan te volbrengen dat God gemaakt had met het oog op ons.

Vandaag moet ik u allen vragen: kunt u alle zorgen bij de Here neerleggen? Doe het maar. Het komt goed, want God houdt van u. Vandaag moet ik ook u, ouderlingen, vragen: wilt u de broeders en zusters helpen om naar God te gaan met hun zorgen? Wilt u naar hen toegaan om hen die weg te wijzen? En wilt u steeds voor hen bidden? Want God houdt van hen, en U mag dus, met de hulp van de Here, zorgen voor de lievelingen van God.

Amen.