Terug naar hoofdinhoud
Aly Boersema
Huis

Lucas 20:37,38

Geschreven door Jan Boersema op: 14 april 2014

Lezen: Lucas 20:27-40, Lucas 23:38-43

Hoe belangrijk is het niet om in de lijdenstijd weer stil te staan bij het sterven van de Here Jezus. Dat is nodig om te kunnen omgaan met het sterven dat we om ons heen zien gebeuren. 230 mensen in een vliegtuigongeluk. Misschien wel 130 mensen in een modderstroom in de Verenigde Staten. Duizenden in Syrie en in de Centraal Afrikaanse Republiek. 500 doodvonnissen in Egypte.

Sterven werd ook het deel van de Zoon van God die mens was geworden. Over de betekenis van zijn sterven werd de waarheid gesproken door een van de misdadigers die gelijk met Hem terechtgesteld was: Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan (Luc.23).

Het sterven van Christus komt nog dichterbij als we het in verband brengen met ons eigen sterven. Maar ons sterven is , net als dat van die misdadigers, echt anders dan het sterven van Christus. Christus stierf niet voor zijn eigen zonden. Hij had niets kwaads gedaan. Hij stierf voor onze zonden. Dat wij sterven moeten, komt uit onze eigen zonde voort. In het paradijs stierven de mensen niet. Maar tegelijk: voor wie op God vertrouwt is het sterven toch geen straf van God. Je mag naar het paradijs gaan, evenals zelfs die moordenaar van toen. De straf door mensen opgelegd moest hij ondergaan, maar het werd voor hem geen eeuwige dood. Omdat hij Gods vergeving vroeg en in Christus geloofde kreeg hij eeuwig leven.

Er is een mooie uitdrukking voor het sterven van een christen: Bevorderd tot heerlijkheid. Dat past bij die uitdrukking ‘paradijs’, door de Here Jezus voorgehouden aan de moordenaar naast Hem. “Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn’’. Maar nu worden we meteen met een grote vraag geconfronteerd. Bij paradijs denk je aan iets heel moois, zoals die prachttuin van het begin. En die lusthof komt eens terug op de nieuwe aarde, dat lezen we in Openb. 21 en 22. Over vruchtbomen, de bomen des levens, die twaalf maal per jaar vrucht dragen, en over een rivier van levenbrengend water die ontspringt bij de troon van God en midden door het nieuw Jeruzalem stroomt. Die nieuwe stad is als een paradijs. Zo mooi. Maar als het zover is gekomen, is de Here Jezus al voor de tweede keer naar de aarde afgedaald. Zelfs die hele stad, dat nieuw Jeruzalem, is van boven naar beneden gekomen. De hemel en de aarde zijn samengevallen. En zover is het echt nog niet als de Here Jezus aan het eind van zijn leven op aarde sterft en tegen de misdadiger zegt: vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn. De vraag is: vind je het paradijs nu in de hemel, of straks pas, op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Of beiden? Ja, ik denk: beiden: In de hemel is het mooi, maar het wordt nog mooier als de Here Jezus terugkomt.

Thema: De christen die sterft wordt bevorderd tot heerlijkheid, en het is nog niet eens zijn laatste promotie.

Bevorderd tot heerlijkheid: dat geeft al aan dat het leven hier niet alles is. En dat zult u ook allemaal toestemmen. Wat is er veel verdriet, wat zijn er veel ongelukkige mensen. Het kan allerlei oorzaak hebben. Mag ik er een noemen: eenzaamheid. Dat kan na het sterven van geliefden, het kan ook door ongehuwd zijn, of wel gehuwd maar kinderloos. Niet iedereen die ongehuwd is voelt het even zwaar, onder hen zijn ook gelukkige mensen, maar niemand kan ontkennen dat hier vaak onuitgesproken verdriet zit. En er zijn best veel kinderloos gebleven echtparen die samen gelukkig zijn en goed functioneren, en veel voor anderen betekenen, maar ook hier is pijn.

Misschien was dat in het oude Israel nog wel erger. Het was een samenleving waarin kinderloosheid als een smaad werd ervaren. Zulke samenlevingen zijn er ook nu nog, waar ongehuwd zijn en kinderloosheid als een smaad worden ervaren. Maar in Israel werd de pijn nog anders gevoeld. In zulke samenlevingen heb je soms het zwagerhuwelijk. In Israel ook. Een weduwe die kinderloos stierf trouwde met haar zwager, soms zelfs als tweede vrouw van hem. En dat was niet alleen voor de weduwe zelf bedoeld, als recept tegen haar eenzaamheid en kinderloosheid, maar ook voor de naam van haar overleden echtgenoot. Wie zal zijn naam verder dragen, als hij geen zoon heeft? Hij wordt vergeten, zijn naam sterft uit. Dat was in Israel heel pijnlijk, omdat bij de verdeling van het land de stammen en families allemaal een erfdeel van de Here hadden gekregen. Als je kinderloos stierf en je erfdeel ging in andere handen over, had je geen betekenis gehad in het rijk van de Messias. Want op de Messias wachtte Israel, en daarom moest het land goed bewaard worden en bevolkt door kinderrijke gezinnen.

Over dat zwagerhuwelijk werden vragen gesteld aan de Here Jezus, door de Sadduceeën, een moderne groepering onder de Joden van toen. Ze waren zo modern, zo intellectueel, dat ze niet geloofden in de opstanding van doden en ook niet in engelen en geesten. Dat laatste schrijft Lucas in Hand. 23:8. Daarmee gingen ze in tegen een andere stroming, waar Paulus van huis uit ook bij hoorde, die van de Farizeeën. Die geloofden zowel het een als het ander. Sterker nog, ze hadden zelfs een aardse voorstelling van het leven in het hiernamaals: daar zou je ook trouwen en kinderen krijgen. Daarom is de achtergrond van de vraag van de Sadduceeën misschien wel deze, dat de opstanding geen werkelijkheid zijn, want waarom zou er dan een zwagerhuwelijk bevolen zijn? Als je na het sterven gewoon doorleeft en ook nog kinderen kunt krijgen, hoeft het zwagerhuwelijk niet perse. Maar toch is dat wel in de wet geregeld. M.a.w.: die wet richt ons op het nu. Hier moet je leven zin krijgen. Trouwens, en nu van de andere kant: je komt met de opstanding ook in de problemen als je het zwagerhuwelijk toepast, want stel dat een vrouw door omstandigheden 7 keer trouwt, van wie is ze dan straks de echtgenote?

En dan volgt een antwoord van de Here Jezus waarmee Hij zowel de Sadduceeën als ook de Farizese rabbijnen aan de kaak stelt. In de opstanding is geen huwelijk. Je bent als de engelen in de hemel. In het Oude Testament mocht er dan nog concentratie zijn op het eigen erfdeel in Israel, om te blijven voortbestaan als volk dat de Messias ter wereld zou brengen. Maar nu de Messias er is gaat het daar niet meer om. En nog meer dan vroeger in de wet en de profeten stond geschreven maakt nu de Messias zelf duidelijk dat je door Hem gezegend zult worden als je vergeving van zonden zoekt. Dat was vroeger niet helemaal onbekend, maar is toch in het NT veel duidelijker geworden.

Dat eeuwige leven begint direct al na dit leven. Een christen die sterft wordt bevorderd tot heerlijkheid: hij mag in het paradijs zijn bij Christus. Maar Christus spreekt over: in de opstanding. Is dat nu al, na het sterven, of straks pas als de doden opstaan bij Christus’ komst? Je mag dat niet uit elkaar trekken. Daar heb ik twee Bijbelteksten voor. Eerst één die we niet gelezen hebben: in Openbaring 20:5,6 wordt gesproken over de eerste opstanding, en wordt gezegd dat over hen die daaraan deel hebben de tweede dood, de eeuwige dood, geen macht heeft. Er is ook een tweede opstanding, zegt dat hoofdstuk, vers 13, en dat is bij de wederkomst. De eerste opstanding is dat je, hoewel gestorven, toch als mens opstaat en wakker wordt in de hemel. De tweede opstanding is de opstanding van het lichaam. De Here Jezus legt tegenover de Sadduceen die eerste opstanding uit. Hij doet een beroep op Mozes. Op de Bijbelboeken waar de Sadduceeën het vaak over hadden. Juist daarin staat, in het boek dat wij Exodus noemen, dat de Here God bij de brandende braamstruik tegen Mozes zegt: Ik ben de God van Abraham, Izaäk en Jakob. Die waren 400 jaar geleden gestorven. Maar ik ben nog steeds hun God. En de Here Jezus, die zelf uit de hemel komt en alles weet, legt dat zo uit: voor God leven zij allen. Niet meer zoals vroeger op aarde, waar ze vrouw en kinderen hadden, maar als de engelen in de hemel.

En nu moet je niet zeggen: ja maar…. het is alleen je ziel, die in de hemel is. Je bent het zelf. De catechismus (HC 22) zegt dat de ziel tot Christus, haar Hoofd zal worden opgenomen. Maar ziel, dat is niet een halve mens maar de hele mens. Gen. 2:7: als God de mens de levensadem geeft wordt hij een levend wezen: een levende ziel. Maar ‘ziel’ wil soms wel zeggen: de binnenkant van de mens, of: de mens, zoals God hem kent. Mat. 10:28: Wees niet bang voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor Hem die in staat is ziel en lichaam om te laten komen in de hel. De mens is niet altijd afhankelijk van zijn lichaam. Hij kan ook leven zonder zijn lichaam, namelijk als hij sterft. Maar dan blijft hij dezelfde mens.

Christus is het hoofd van de uitverkorenen, en het Hoofd van de kerk (HC 19), niet van halve mensen. Als de Catechismus zegt dat de ziel naar haar Hoofd Christus gaat, bedoelt ze dat die mens zelf naar Christus.

Maar nu maak ik het thema ook af: als je in de hemel komt is dat nog niet je laatste promotie. Er komt nog meer, als Christus terugkeert, want God die de mens geschapen heeft met lichaam en ziel, als een eenheid, brengt die eenheid terug. Er komt een opstanding op de jongste dag. Maar de lichamen die dan uit de dood komen zijn geestelijke lichamen: geheel door de Geest van God beheerst (1 Kor.15:44). Niet meer gericht op eten en drinken, op huwelijk en ouderschap. Het paradijs van het nieuw Jeruzalem zal toch anders zijn dan het eerste paradijs. De wereld is tot haar volmaaktheid gekomen. De wereldbevolking groeit niet meer.

Als ze in Israel het vroeger verdrietig vonden alleen te blijven en kinderloos te zijn, en als wij dat ook nog erg vinden, dan is dat te begrijpen, en toch mogen we beseffen dat het in de hemel nu en op de nieuwe aarde straks helemaal niets uitmaakt of je getrouwd was of niet, kinderen had of niet.

Maar is het dan verkeerd als mensen bij het sterven van geliefde zeggen: straks zien we elkaar weer, als ik ook heenga? Nee, niet verkeerd, want er zal wel herkenning zijn: Abraham, Izaäk en Jakob zullen we in ieder geval zien, en Mozes en Elia, en misschien ook allen die we graag willen zien. Maar herkenning van geestelijke lichamen: de persoon kennen in zijn of haar relatie tot Christus. De kennis van de engelen: deze is christen, en die. Herkenning om je samen één te voelen als gemeente van Christus.

Hier is aansluiting bij de gedachtengang van andere stukken van de catechismus: HC 21: ik geloof dat ik van de kerk van Christus een levend lid ben en eeuwig zal blijven. Daarmee spreek je over je kerklidmaatschap van een concrete gemeente, je eigen gemeente, nu. Maar je zegt ook van je toekomst: ik blijf lid van de kerk want die is niet alleen hier op aarde maar ook in de hemel. En dan moet je bij kerk denken aan de eigenlijke betekenis van woord: Huis van Christus, of ook: eigendom van Christus. Hier komt ook zondag 1 aan bod: Al die christenen die persoonlijk, in leven en sterven, eigendom van Christus zijn, mogen ook samen zo genoemd worden: kerk van Christus: eigendom van de Heer.

Van het leven op de nieuwe aarde kunnen we ons moeilijk een voorstelling maken. Maar laten we het toch maar doen in deze lijdenstijd. Het helpt om tegen de moeiten en het verdriet van nu te kunnen. De lijdenstijd is er ook om vooruit te kijken en te verlangen naar het Paasfeest. Dan vieren dat de Here Jezus zelf ons is voorgegaan: Hij is opgestaan en naar de hemel gegaan. Hij die voor u hier op de aarde is geweest wacht nu in de hemel op u. Dat zegt Hij tegen u die nu in het leven op aarde christen wilt zijn: bij Christus wilt horen en Hem wilt volgen. Christen worden, dat doe je voor eeuwig. Het verandert je leven nu, je wordt bevorderd tot heerlijkheid bij het sterven en dat is nog niet eens je laatste promotie: eens wordt je omringd door een wereld waar alles nieuw is, te beginnen bij jezelf, en waar alles alleen maar is gericht op God en Jezus Christus.